Rutte zegt het
Van de consternatie op de dam kreeg ik vanaf mijn dakterras weinig mee. Noch van de soap tussen onze Fem en staatsbeul Ferd. Enigszins fanatiek betrachtte ik op één van de laatste mooie dagen van de week een wedstrijdje navelstaren. Mijn ietwat opgezwollen buik was bezaaid met haar en had meer gelijkenissen met een hevig vervuild doucheputje dan met de obligatoire sixpacks bij de sportschool tegenover mij. Met mijn wijsvinger wipte ik het pluisje uit mijn navel en schoot deze secuur naar de straatkant. Misschien moest ik me maar eens aanmelden bij een sportklasje. “Wij handelen in weerstand,” had Arie Boomsma gezegd bij Op1. Niet dat ik angst had voor corona, maar vrouwen lagen wellicht niet al te graag op een zwetend zacht doucheputje.
12 uur, eerst maar even lunchen. Volledig ontspannen, een tikkeltje rozig, trapte ik mijn ‘huis-Crocs’ uit en deed een paar afgetrapte ‘nikies’ aan.
Bij de bakker stonden mensen netjes op 1,5 meter afstand van elkaar te wachten op hun vers gebakken Christoph Pavé of Grand Mère. Een ouderwets volkoren brood was veel te gewoontjes voor de gemiddelde kakker in Amsterdam-Zuid.
‘Je mag gewoon naar binnen,’ zei de vrouw achter me op een wat dwingende toon.
“Maximaal 4 mensen,” stond op de deur.
Exact het aantal dat binnen stond, maar ik had geluk, de vierde klant liep net naar buiten. Tot mijn verbazing volgde de geblondeerde vrouw mij met maar liefst vijf kinderen. Ze zag eruit alsof ze haar gezicht had ingesmeerd met cacao-boter en haar lippen vervangen had voor twee opgezwollen, vuurrode chorizoworstjes. Op haar trainingspak stond in koeienletters Balenciaga, net als op haar schoenen die eruit zagen alsof ze polio had gehad zo groot.
‘Mevrouw, wilt u alstublieft nog even buiten wachten, ik mag maximaal vier personen in de zaak hebben,’ vroeg de bakker op vriendelijke toon.
‘Nee, Rutte zegt dertig,’ zei ze met een bijzonder plat accent.
‘Mevrouw, kunt u alstublieft nog één minuutje buiten wachten. Anders krijg ik een boete.’
‘Van wie? Rutte zegt dertig. Ik ga niet naar buiten. Je kan de pot op.’
‘Mevrouw u staat met zes binnen.’
‘Kinderen tellen niet. Rutte zegt het. Ik ga echt niet, hoor.’
Het begon me nu toch echt te irriteren, een combinatie van honger en de aanwezigheid van deze intens gezellige voetbalvrouw.
‘Mevrouw, alstublieft,’ trachtte de vriendelijke bakker opnieuw.
‘Hé vies vuil opgepompt wijf, wil je met die neptieten van je opkankeren, a.u.b.? Het is niet jouw winkel, tief gewoon op. Ik wil graag mijn brood bestellen.’
Ze verliet de winkel met de woorden ‘ik kom hier nooit meer’.
‘Een Christoph Pavé, s’il vous plaît,’ vroeg ik vriendelijk en verliet kort daarna de bakkerszaak.
