Nooit alleen
Vanuit het raam op de derde verdieping van mijn appartement zie ik verlaten troittoirs, lege parkeerplaatsen en gordijnen onverlicht gesloten. In een buurt waar mensen hun oorsprong niet vinden in de straten waar zij tegenwoordig wonen, is het akelig stil tijdens de kerstdagen. De kersttaart moet nog een ruim kwartier in de oven voor deze met sterren versierd kan worden en ook de lichten van mijn appartement zullen doven. Ik loop naar mijn slaapkamer en pak een wit overhemd uit mijn kast, knoop de rode strik onder mijn boord en kijk nog eenmaal in de spiegel.
Buiten kruipt de koude wind langs mijn kraag naar binnen. Ik besef dat de taart bij aankomst waarschijnlijk niet meer warm zal zijn. Volgens afspraak loop ik nog even langs de pinautomaat om contanten mee te nemen. Een lege tram dendert voort. De kerkklok geeft aan dat het tijd is. Ik sla voor de brug rechtsaf en loop langs de kade. Het water ziet als een donker canvas met schitterende lichtjes. Uit de schoorstenen van de woonboten komen pluimpjes rook en geven de avond de geur van warmte.
De meeste gordijnen zijn verlicht, doch reeds gesloten. Mijn gedachten gaan naar de taart. Zou deze gelukt zijn? Gisteren bij het oefenen had hij goed gesmaakt. In de verte zie ik het huis waar ik moet zijn. De gordijnen zijn open en de ruimte is prachtig verlicht. Zo te zien word ik verwacht, want er wordt al naar buiten gekeken.
Al ben ik reeds gezien, klop ik alsnog aan. Met een brede glimlach op het gezicht word ik verwelkomt. “Dat had je niet hoeven doen,” zegt ze starend naar de taart, “kom verder.” Het is warm binnen. Ik leg de taart neer op een stoel en neem plaats. De gastvrouw, gehuld in kerstig kant, sluit de gordijnen en vraagt: “Waar kan ik je mee van dienst zijn? Hetzelfde als laatst?” Ze loopt alvast naar de timer en pakt bescherming voor mij. “Graag zou ik samen willen genieten van mijn zelfgebakken taart.”
